De Duitse adel


Proclamatie van keizer Wilhelm I op 18-01-1871 in de Spiegelzaal van Versailles met Otto von Bismarck als centraal figuur. Schilderij van Anton von Werner.Vandaag de dag leven in Duitsland nog zo’n 40.000 personen die van adel zijn. De adel was de feudale standenorde van de heersende familie (dynastie), meestal verkregen door geboorte, bezit en later ook door verheffing (Briefadel). Het woord adel is verwant aan het woord Odal of Allod, van Allodium, wat in de volgende paragraaf uitgebreid behandeld zal worden.

Vaak wordt voor de adel de term “blauw bloed” gebruikt. Deze term komt uit het Spaans. Sangre azul hadden diegenen die een blanke huid hadden en wier aderen dus goed te zien waren. Dat waren de dominante Castilianen, in tegenstelling tot de onderworpen Moren.

De Duitse adel is verdeeld in de hoge adel (hoher adel) en de lage adel (niedriger adel). Deze worden verder verdeeld in de Uradel (oude adel) en Briefadel (nieuwe adel). De Uradel kan van zowel hoge als lage adel zijn, de Briefadel behoort altijd tot de lage adel.

Het aanzien van een adellijke familie is niet alleen afhankelijk van de adellijke titels, maar ook van de mate van onafhankelijkheid. Zo had de Fürst van Waldeck een hoger aanzien dan de Herzog van Arenberg. Ook de ouderdom van een geslacht telt in belangrijke mate mee. Zo heeft iemand die tot de ongetitelde Uradel behoort een hoger aanzien dan iemand van de getitelde Briefadel. Daarnaast staan edelen waarvan de adellijke titel direct afkomstig is van het Heilige Roomse Rijk in hoger aanzien dan edelen waarvan de titel afkomstig is van een Duitse vorst (ná 1806), ongeacht de rang.

De hoge adel bestaat uit die families die Reichsstandschaft hadden, dus een plaats in het parlement van het Heilige Roomse Rijk. Deze zetels waren gereserveerd voor soevereine huizen. Deze families waren ook Reichsunmittelbar, in feodale zin hielden zij hun land direct van de Heilige Roomse Keizer. Tot de vroege 19de eeuw waren er enkele baronnen en ongetitelde adellijke families die land direct namens de keizer beheerden, maar geen plaats hadden in het Parlement en dus leden waren van de lage adel.

In Duitsland waren alle legitieme kinderen van een edelman adellijk en erfde elk kind de daarbij behorende adellijke titels (Salische wet). Een uitzondering hierop waren de kinderen van een soeverein, zijn kinderen werden uiteraard niet allen koning, maar werden prinsen en prinsessen. In de laatste decennia van het Duitse keizerrijk werden families in de adelstand verheven waarbij de titel alleen overerfbaar was op de oudste zoon. De andere kinderen kregen alleen een eventueel oudere titel van hun vader of werden ongetitelde adel. Ook werd in enkele gevallen persoonlijke titels verleend, zoals bij Otto von Bismarck aan wie de persoonlijk titel van Herzog von Lauenburg werd verleend.

Voor zo’n duizend jaar bepaalde de wet dat adellijkheid alleen op een legitieme biologische nakomeling overerfbaar was, niet door adoptie en zeker niet door aanschaf. Als een gewone burger geadopteerd werd door iemand van adel kon deze de geslachtsnaam dragen, maar geen van de adellijke aanduidingen (zoals een titel of het predikaat “von”). Een uitzondering hierop was de “legitimatio per matrimonium subsequens”, die de legitimiteit van de kinderen bevestigde als deze buitenechtelijk ter wereld waren gekomen en de ouders daarna alsnog in het huwelijk traden. Op deze wijze werden de kinderen volledige erfgenamen, er bleef echter wel een zeker stigma.

Een veel voorkomend kenmerk van de Duitse adel is het predikaat “von” wat door de meeste leden van de Duitse adel wordt gedragen. Sinds 1630 werd dit predikaat toegekend bij de verlening van de adellijke stand. Er is een klein aantal adellijke families die het predikaat “von” of een variant daarvan niet voeren, deze behoren vrijwel allen tot de Uradel of de oudere Briefadel. Een kleiner aantal adellijke huizen gebruiken “von und zu” wat betekent dat ze niet alleen uit de genoemde plaats afkomstig zijn, maar daar momenteel ook nog verblijven. Een ander Uradellijk huis heet “aus dem Winckel” in plaats van “von dem Winckel” de betekenis is echter hetzelfde. Andere predikaten die men bij de Duitse adel tegenkomt zijn “von dem”, “von der” en “vom”.

Vroeger noemden veel mensen zich naar hun woonplaats (Ortsname), zoals bijvoorbeeld Hagen. De oude edelen noemden zich ook naar hun bezit/woonplaats. Om zich echter te onderscheiden van het gewone volk voegden zij hier von aan toe, zoals von Hagen. Het predikaat werd exclusief gebruikt om te verwijzen naar het feit dat de betreffende familie de plaats ook daadwerkelijk in bezit had of regeerde. Sinds de 16de eeuw kregen personen die in de adelstand verheven werden een fictieve Ortsname met het predikaat “von”. Om zich te onderscheiden van niet adellijken schrijven de adellijke families in Noord-Duitsland meestal de “von” als “v.” terwijl wel het gehele “von” wordt uitgesproken. Dit gebruik ontstond omdat in Noord-Duitsland “von” ook voorkomt bij niet adellijke geslachten. In Zuid-Duitsland schrijven adellijke geslachten “von” wel voluit en met een kleine v tenzij dit grammaticaal niet juist is, zoals aan het begin van een zin.

De laatste adelsbrief werd op 12-11-1918 verleend aan Kurt von Klefeld. De privileges van de adel eindigden op 14 augustus 1919 toen de Weimar republiek formeel werd opgericht en de nieuwe grondwet, in het Duits de Verfassung des Deutschen Reichs, bekend werd gemaakt en van kracht werd. Sindsdien bestaat een misverstand over de juridische positie van de Duitse adel. Volgens velen is de Duitse adel met de komst van de Weimar Republiek afgeschaft.

In Oostenrijk werd de adel na de Eerste Wereldoorlog wettelijk afgeschaft toen de Adelsaufhebungsgesetz (Gesetz vom 3. April 1919 über die Aufhebung des Adels, der weltlichen Ritter- und Damenorden und gewisser Titel und Würden) op 10 november 1920 van kracht werd. Hier was in Duitsland echter geen sprake van.

Het misverstand vindt zijn oorsprong in het feit dat adeldom en adelstand vaak ten onrechte worden beschouwd als synoniemen. Adeldom is echter het bezit van een rang binnen de adel, terwijl met adelstand de stand der edelen in tegenstelling tot andere maatschappelijke standen wordt bedoeld. Sinds het inwerkingtreden van de nieuwe Duitse grondwet op 14 augustus 1919 bestaat in Duitsland geen adelstand meer, er bestaat echter wel adeldom. De juridische positie van de Duitse adel werd behandeld in artikel 109 van de nieuwe grondwet. Uit dit artikel blijkt duidelijk dat niet de adeldom maar de adelstand werd afgeschaft, iedere Duitser was immers gelijk:

“Alle Deutschen sind vor dem Gesetze gleich. Männer und Frauen haben grundsätzlich dieselben staatsbürgerlichen Rechte und Pflichten. Öffentlichrechtliche Vorrechte oder Nachteile der Geburt oder des Standes sind aufzuheben. Adelsbezeichnungen gelten nur als Teil des Namens und dürfen nicht mehr verliehen werden. Titel dürfen nur verliehen werden, wenn sie ein Amt oder einen Beruf bezeichnen; akademische Grade sind hierdurch nicht betroffen. Orden und Ehrenzeichen dürfen vom Staat nicht verliehen werden. Kein Deutscher darf von einer ausländischen Regierung Titel oder Orden annehmen.”

Adellijke titels werden met het van kracht worden van artikel 109 onderdeel van de geslachtsnaam (Namensbestandteil) en mochten als zodanig gedragen worden. Hieruit kwam voort dat alle kinderen van bijvoorbeeld Graf von Beust, de geslachtsnaam Graf von Beust kregen, dus ook zijn dochters. Om te voorkomen dat de wetgeving zulke situaties voort zou brengen, negeert de Duitse overheid zijn eigen wetten en wordt het toegestaan dat vrouwen met de vrouwelijke variant van een titel worden ingeschreven (Gräfin von Beust).

De huidige wetgeving staat toe dat een persoon die geadopteerd is door iemand van Duitse adel de adellijke titels voert, deze maken immers deel uit van de geslachtsnaam. Het moet echter opgemerkt worden dat de Duitse adel zulke personen nooit zal erkennen als zijnde van adel, ongeacht hoe zij zichzelf ook mogen noemen. Een bekend voorbeeld hiervan is Joachim Ribbentrop, die in 1927 van een tante het predikaat “von” adopteerde in de hoop meer aanzien te krijgen. Een ander bekend voorbeeld is Frederick Prinz von Anhalt, de achtste echtgenoot van Zsa Zsa Gábor. Deze Frederick werd geboren als Hans Robert Lichtenberg, maar liet zich na betaling van een zeker geldbedrag in 1980 adopteren door Marie Auguste Antoinette Friederike Alexandra Hilda Luise Prinzessin von Anhalt.

Allodium en het ontstaan van de adel

Een Freigut of Allodium wordt in het Nederlands vertaald als Vrijgoed. Het duidt op een uitzonderlijke vorm van grondbezit, waarover het bezitsrecht absoluut is. Iedere vorm van vruchtgebruik of de rechtspleging binnen het betrokken grondstuk, behoorde aan de bezitter. In feite maakte een Allodium zelfs geen deel uit van het koninkrijk waarbinnen het was gelegen. Een vrijheer had niemand boven zich. Hij regeerde als een koning over zijn grondgebied, hanteerde zijn eigen rechtssysteem en rechtsspraak (met vierschaar, schandpaal en galg) en werd omschreven als “iemand die niemand boven zich had behalve God”. Het eigendomsrecht over een Allodium is dus aanzienlijk absoluter dan een hedendaags eigendomsrecht, want dit is immers onderhevig aan de wetten van het land waarbinnen het is gelegen.

Vele Allodia vinden hun oorsprong in rijks- of koningsgoed, dat door de vorst wegens bewezen diensten aan zijn trouwe vazallen werd geschonken, waarbij het statuut van Allodium ten eeuwigen dag werd gewaarborgd. De Allodia ontstonden vóór het feodale systeem. Land dat onder gemeenschappelijk beheer stond werd overgedragen aan één individu. De eigenaar was vrij om (zonder toestemming van de vorst) te huwen en om zijn bezittingen te verkopen of na te laten aan zijn kinderen. De eigenaren van deze Allodia (vrijgoederen) ontwikkelden zich in de loop der jaren tot de adel. Zij beschouwden zichzelf als gelijke van de vorst. Na 1500 kreeg de vorst meer macht en werden de vrijheren ondergeschikt aan de vorst, zij behoorden echter wel tot de meest invloedrijke bevolking van een land.

Een Allodium mag niet verward worden met leengoed (Feodum). Bij een leengoed verwerft men slechts het vruchtgebruik over het betrokken goed en blijft (in hedendaagse termen uitgedrukt) de naakte eigendom steeds bij de leenheer. In de loop der jaren werd het verschil tussen een vrijgoed en een leengoed steeds kleiner. Sinds de 16de eeuw betaalden de bezitters van een vrijgoed reeds belasting over hun inkomsten uit een vrijgoed.

Allodia waren veelal grondstukken met beperkte oppervlakte, maar er bestonden ook Allodiale graafschappen. Dit waren landsheerlijke entiteiten waarover de vorst in uiterste totaliteit afstand had gedaan van de rechtspleging en de begunstigde in feite niet leenhuldeplichtig meer was aan de vorst. In een dergelijk graafschap bestond dus geen feodale hiërarchie: er heerste een graaf, die in feite aan niemand nog rekenschap was verschuldigd. De betrokken graaf kon ook niet in feodale gradatie stijgen (bijvoorbeeld markgraaf of hertog), want de vorst bezat in principe niet meer het recht om een titel te verlenen.

Het begrip Allodium heeft wellicht een Germaanse oorsprong. In het Oudgermaans duidt het voorvoegsel “al” op volledig, het alles omvattende. Het woorddeel “od” zou staan voor eigen goed. Het geheel werd verlatijnst met het typerende achtervoegsel –ium.

De bezitter van een Allodium stond bekend als een Allodialherr en was dus niet per definitie een Freiherr (Vrijheer). Er waren vele adellijke geslachten met Allodia die niet de titel Freiherr droegen. Een Freiherr behorende tot de Uraldel was echter altijd een adellijk persoon die in het bezit was van een Allodium.

Een Freiherr wordt vandaag de dag gelijkgesteld aan een (buitenlandse) Baron. Lange tijd bestond hier echter twijfel over. De titel Freiherr werd als een hogere titel ervaren. In een latere periode van het Duitse Rijk werden er namelijk ook personen verheven tot Baron, zij waren echter niet in het bezit van een Allodium maar beheerden een grondgebied als leenman voor hun leenheer (de vorst).

Uradel en Briefadel

De Uradel (spreek uit: oer-adel) bestaat uit families die geen verheffing in de adelstand is verleend zoals de latere Briefadel. In Duitsland geldt een familie als Uradlig als deze voor 1400 als adellijk wordt vermeld in een leenboek (liber feodorum), als eigenaar van een allodium, als miles (ridder) of met naam en adelsrang wordt vermeld en deze sindsdien nergens (opnieuw) bevestigd of vernieuwd is. De Almanach de Gotha legt deze grens tussen de Uradel en de Briefadel rond dit jaartal. Alleen van geslachten na 1350 is immers aan te tonen dat de adelstand door keizer of vorst verleend is.

Tot de Briefadel behoren de adellijke families die vanaf de 15de eeuw in de adelstand zijn verheven. Iemand die tot de adelstand werd verheven kreeg een adelsdiploma of adelsbrief als bewijs daarvan. De verheffing in de adelstand begon in Duitsland in de tijd van keizer Karel IV met de verheffing van beambten tot de adelstand. De oudste adelsbrief werd door Karel IV op 30-09-1360 opgesteld voor de geestelijke Wyker Frosch van de Stephanskirche in Mainz.

Verheffing tot de adelstand (Nobilitierungen) was voorbehouden aan het hoofd van de staat. In het Heilge Roomse Rijk was dit een voorrecht van de keizer. Ook enkele territoriale heersers hadden het voorrecht iemand in de adelstand te verheffen, zoals de heersers van Pruisen, de aartshertogen van Oostenrijk, de keurvorsten van Beieren en Pfalz, de hertogen van Lothringen, de aartsbisschop van Salzburg en de bisschoppen van Metz en Toul. Personen met een adelsbrief van de keizer stonden echter in hoger aanzien dan die met een adelsbrief van bijvoorbeeld de hertog van Lothringen.  

Uradellijke families bezitten geen documenten als adelsbrieven en diploma’s en misschien zijn die er ook nooit geweest. Veelal wordt gezegd dat deze families sinds mensenheugenis adellijk zijn, omdat deze bij de eerst geschreven geschiedenis reeds van adel waren. De families die dit segment van de adel vertegenwoordigen ontstonden uit de ridders en krijgers van een soeverein of vervulden belangrijke ambtelijke functies namens deze soeverein.

Het verschil tussen Uradel en Briefadel bestaat pas sinds circa 1780. Voor die tijd bewees de adel hun adellijkheid aan de hand van hun afkomst in vaderlijke en moederlijke lijn (de Adelsprobe of Ahnenprobe). Het was dan ook lange tijd ongehoord voor een adellijke man om te huwen met een niet-adellijke vrouw. Toen het begrip van de Uradel zich eenmaal gevestigd had kregen de Uradellijke families vaak privileges boven de Briefadel, waaruit hun hogere status bleek. Deze privileges werden opgenomen in de wetgeving.

Met name de Uradel, maakt een sterk onderscheid tussen Uradel en Briefadel. Alle leden van de Uradel beschouwen zichzelf als van een hogere status dan de Briefadel en als van een gelijke status ten opzichte van elkaar, of zij nu ongetiteld of getiteld zijn. De specifieke titel is minder belangrijk dan de ouderdom en status van de familie.

Dat de adellijke titel minder belangrijk is dan de ouderdom en status van een familie komt doordat personen pas sinds de invoering van de Briefadel adellijke titels kregen. Vóór 1350 was men van adel of men was het niet, er bestonden nog geen adellijke titels. De Uradel die wel titels voerden, voerden deze als functies. Zo was de aanduiding graaf bijvoorbeeld van oorsprong een ambtstitel voor de hoogste drager van ambtelijk, juridisch en militair gezag die werd aangesteld door keizer Karel de Grote. De graaf was de officiële vertegenwoordiger in het hem toegewezen gebied. Aanvankelijk was een gravenambt een persoonsgebonden beneficium (een niet-erfelijk leengoed) en was een graaf ook afzetbaar. Door de verankering van het gravenambt binnen eenzelfde stamgeslacht begon men het ambt vanaf de 10de/11de eeuw toch als erfelijk te ervaren. Men mag aannemen dat vanaf de 12de eeuw dit erfrecht door de grafelijke geslachten algemeen werd opgeëist en dat dit door de vorsten ook werd gedoogd. Kort hierna deed de Briefadel zijn intrede.

Sommige Uradellijke geslachten waren te trots om een adellijke titel te accepteren of wilden geen geld betalen voor een titel waarvan zij meenden die niet nodig te hebben. Zij hadden geen titel nodig om hun adellijke afkomst te bewijzen. Adellijke titels werden immers in verband gebracht met de aan een heer gebonden Briefadel. De Uradel die geen titel “aannam” ging dan ook als ongetituleerde adel door het leven. Zij hadden voldoende aan de status van hun geslachtsnaam. Deze ongetitelde adel werd aangesproken met “Herr” of “Frau”. Zoals reeds eerder werd beschreven, werd voor de ongetitelde adel uit Oost-Duitsland eveneens het predikaat Junker/Junkfrau gebruikt. Toen Maarten Luther op 26-05-1521 in de rijksban werd gedaan dook hij onder in het kasteel Wartburg te Eisenach met behulp van zijn keurvorst Frederik en leefde hij bijna een jaar lang als Junker Jörg (hier vertaalde hij het Nieuwe Testament van Erasmus in het Duits).

Tot op heden kijken veel leden van de Uradel nog neer op de Briefadel, ook wanneer de Briefadel reeds vele honderden jaren oud is. Vandaag de dag hebben sommige Uradellijke families voor hun deur een koperen plaat met de tekst: “Lieferanten und Briefadel zur Hintertür” (“Bezorgingen en Briefadel via de achterdeur”). Hoewel dit als een grapje moet worden opgevat, valt hier toch uit op te maken hoe de Uradel vandaag de dag nog tegen de Briefadel aankijkt.

Er zijn vandaag de dag veel minder Uradellijke families dan Briefadellijke, dit komt door het feit dat families in de loop der jaren uitsterven en de laatste 600 jaar geen Uradel is ontstaan (dit kon eenvoudigweg niet meer), terwijl wel Briefadel gecreëerd werd.

Tabel 1 Titels van de Hoher Adel  
mannelijke titel   vrouwelijke titel   aanspreekvorm
mannelijke nakomelingen vrouwelijke nakomelingen   opmerking  
Kaiser Kaiserin majestät Kronprinz, Prinz   Prinzessin  
König Königin majestät Prinz Prinzessin  
Pfalzgraf Pfalzgräfin hoheit Prinz Prinzessin  
Kurfürst

Kurfürstin

königliche hoheit

 
Kurprinz

Kurprinzessin

 
Van gelijke rang als Großherzog.  
Großherzog
Großherzogin
 
königliche hoheit
 
Prinz/ Erbgroßherzog

Prinzessin/
Erbgroßherzogin

 
Erzherzog Erzherzogin kaiserliche hoheit   Erzherzog Erzherzogin  
Herzog Herzogin hoheit Prinz Prinzessin  
Landgraf


Landgräfin


hoheit


 
Prinz


Prinzessin


Titel komt alleen in de Duitssprekende gebieden voor.  
Markgraf Markgräfin hoheit Prinz Prinzessin  
Großfürst



Großfürstin



kaiserliche hoheit



 
    Titel van de niet regerende leden van het Russische keizerlijke huis.  
Fürst
 
Fürstin
durchlaucht
(Erb)Prinz of (erb)Graf   (Erb)Prinzessin of (Erb)Gräfin    
Graf





Gräfin





hochgeboren





Erbgraf





 
Erbgräfin





 
Vrouwelijke familieleden worden met Komtess aangesproken zolang ongehuwd.  

Tabel 2 Titels van de Niedriger adel  

mannelijke titel   vrouwelijke titel   aanspreekvorm
mannelijke nakomelingen   vrouwelijke nakomelingen   opmerking
Herzog










 
Herzogin  










afhankelijk van adelsbrief  









afhankelijk van de originele titel  








afhankelijk van de originele titel









 
Niet erfbare titel, (“ad personam”). Voorbeeld is Otto von Bismarck als Herzog von Lauenburg. Hij werd aangesproken met durchlaucht.  
Fürst  







Fürstin  







durchlaucht  







afhankelijk van de originele titel en adelsbrief  





afhankelijk van de originele titel en adelsbrief






 
Net als Herzog een niet overerfbare titel. Titel van kinderen was afhankelijk van de originele titel van de Fürst.  
Graf  





Gräfin  





hochgeboren  





Erbgraf  





Erbgräfin  





Vrouwelijke familieleden werden met Komtess aangesproken zolang ongehuwd.  
Freiherr, Baron  








Freifrau, Baronin  








hochwohlgeboren









Freiherr, Baron  









Freiherrin (Freiin), Baronesse  







Freiherr en Baron worden als van gelijke rang beschouwd. Voor beiden is adressering Baron von X en
aanspreekvorm Herr von X.  
Ritter, Edler, Ongetiteld (Herr/Junker)

(Ritter en Edler waren titels die voornamelijk werden verleend in Oostenrijk en Beieren).





 
Frau, Edle, Ongetiteld (Frau/Junkfrau)







hochwohlgeboren









 
Ritter, Edler, Ongetiteld (Herr, Junker)  







Frau, Edle, Ongetiteld (Frau/Junkfrau). Fräulein voor ongehuwde vrouwen  




Allen worden als ongetitelde adel beschouwd, aanspreekvorm is “Herr von X”. In het oosten voert men de predikaten Junker en Junkfrau.  

Het verschil tussen de Uradel en Briefadel is, naast de ouderdom van het geslacht, het verschil in de aard van hun grondbezit. De Uradel (prefeodale edelman) heeft zijn grondbezit als vrij eigen goed, als Allodium. De Briefadel (feodale edele) “houdt” het van zijn heer. De Briefadel heeft dus iets van zijn onafhankelijkheid ingeboet, de dienstadel meer, de leenadel minder. Daartegenover stonden echter zulke grote maatschappelijke voordelen, dat de glans van de Briefadel dit verlies geheel vergoedde. Daarom ziet men dat binnen een vrij kort tijdsverloop verreweg de meeste Uradellijke families zijn opgegaan in de opkomende Briefadel.

Eveneens een groot deel van de Uradel is opgegaan in de niet edele bevolking doordat zij op de oude voet zijn blijven voortleven. De nieuwe Briefadel, met hun grotere uiterlijke glans, had de Uradel, die geen leen- of dienstman waren geworden, zodanig overschaduwd, dat de laatsten niet meer als edelen beschouwd werden. Immers zij konden niet meer voldoen aan het nieuwe adelscriterium: het leiden van een riddermatige levenswijze meerdere generaties achtereen. De opbrengst van hun oude Allodium was daartoe niet voldoende.

Ebenbürtigkeit

Ebenbürtigkeit werd in het verleden toegepast om bij de adel de rang te bepalen waarbinnen gehuwd moest worden (einer standesgemäßen Ehe). Zo was het voor de Hoher Adel niet toegestaan een huwelijk aan te gaan met zowel iemand van de boerenstand als Niedriger Adel. Er moest een huwelijk worden aangegaan met iemand van de eigen stand. Een huwelijk dat niet volgens deze regels was aangegaan werd als een Missheirat of Mesalliance bestempeld, wettelijk gezien een morganatisch huwelijk. De mate waarin de regels werden nageleefd verschilde per land. Zo werden de regels in de Duitse staten veel strikter nageleefd dan in Engeland, waar een huwelijk tussen iemand van adel en de middenklasse geen problemen opleverde. De formele wijze om de Ebenbürtigkeit aan te tonen was een Adelsprobe, waarmee bewezen moest worden dat iemand van een adellijk geslacht afstamde. In Silezië en Lausitz moest men zelf aantonen over een volledig adellijke kwartierstaat te beschikken.

Ebenbürtigkeit heeft bij de Niedriger Adel nooit zo’n belangrijke rol gespeeld als bij de Hoher Adel. Wanneer een adellijke man huwde met een niet-adellijke vrouw ontvingen hun nakomelingen de stand van de man. De reden hiervoor moet vooral gezocht worden in het verdwijnen van de privileges van de adel, welke gedurende de 18de eeuw volledig werden doorgevoerd. Doordat de lage adel weinig privileges had, was het bijna noodzakelijk om met dochters van rijke burgerlijke families te trouwen om een riddermatige levenswijze te kunnen volhouden.

In Pruisen werden de ebenbürtigkeitvoorschriften van de Allgemeinen Preuβischen Landrechts in 1794 opgeschort (II, 1, §§ 30-33). Dit maakte het mogelijk voor adellijken uit Pruisen om wettelijk “Weibspersonen aus dem Bauer- oder geringerem Bürgerstande” te huwen. Veel adellijke families bleven echter volhouden aan een huwelijk binnen de eigen stand, wat zich zodoende ontwikkelde tot sociale prestige. Er was echter geen wettelijk vastgelegde verplichting meer.

Ook de economische ontwikkelingen speelden een rol in deze regelgeving. Veel landgoederen van de lage adel belandden halverwege de 19de eeuw in financiële moeilijkheden. Hierdoor werd het acceptabel om een huwelijk aan te gaan met de erfgename van een hoogaanstaande (en welvarende) burgerlijke familie zodat de financiën gereorganiseerd konden worden. Ondanks een sterk antisemitisme binnen de adellijke kringen werd het zelfs acceptabel om huwelijkspartners te kiezen uit (rijke) Joodse families die geassimileerd waren.

Bij de hoge adel verliep dit proces heel anders. Hier bleef de verplichting tot het begin van de 20ste eeuw bestaan om binnen de eigen rang te huwen op basis van politieke of dynastieke criteria. Door de territoriale versplintering van het Heilige Roomse Rijk waren er bijzonder veel personen die tot de hoge adel behoorde. De Duits sprekende adel was van de 17de tot de 20ste eeuw verreweg de grootste “markt” voor ebenbürtige huwelijkspartners van de regerende families van Europa.

Omdat Frankrijk na de Coalitieoorlogen in 1795 de linker Rijnoever van het Rijk had geannexeerd, moesten de vorsten die territorium hadden verloren (met name Pruisen) schadeloos worden gesteld met gebieden op de rechter oever. Hiervoor was een territoriale herverdeling noodzakelijk, die met de Reichsdeputationshauptschluss op 25-02-1803 plaatsvond. Toen meer dan honderd vorsten de gebieden waarover zij regeerden verloren, was het toekennen van de “Ebenbürtigkeit” een troostprijs voor deze gemediatiseerde families. Het betekende dat de talrijke Duitse vorstengeslachten beschikbaar bleven als huwelijkspartners voor de overgebleven 28 Duitse vorsten en de buitenlandse vorstelijke families.

De mediatisering versnelde het ontbindingsproces van het Rijk, dat met de abdicatie van keizer Frans II en het tot stand komen van de Rijnbond (1806) werd opgeheven. De grondwet van de Duitse Bond (Bundesakte) kende de gemediatiseerde vorsten op 08-06-1815 de status van Standesherr toe met enige privileges (onder andere lagere rechtsmacht) en ebenbürtigkeit (gelijkheid in rang) met de regerende huizen. Deze status behielden zij tot het revolutiejaar 1848 en ten dele ook nog daarna.

Door het ontstaan van de Weimar republiek werden de regels omtrent ebenbürtigkeit wettelijk afgeschaft. Sommige voormalig regerende families in Duitsland (bijvoorbeeld het huis Hohenzollern) schrijven hun prinsen en prinsessen echter nog steeds, in de zogenaamde huiswetten, een huwelijk met een ebenbürtige partner voor. Het overtreden van deze regel betekent dat men zijn titel en koninklijke rang verliest. De Duitse wet, die geen adelstand kent en van egalitaire republikeinse principes uitgaat, erkent de geldigheid van deze regels niet. De voormalige adellijke titels zijn tenslotte een onderdeel van de geslachtsnaam geworden en gaan niet verloren, tenzij men een formele naamswijziging aanvraagt.

Zo erkende de Habsburg familie alleen andere leden van de Hoher Adel als Ebenbürtig. Om het huwelijk tussen Karl von Habsburg-Lothringen en Francesca Freiin Thyssen-Bornemisza de Kászon et Impérfalva in 1993 mogelijk te maken, moest zijn vader en familiechef Otto von Habsburg-Lothringen de huiswetten wijzigen.

Bij het zoeken naar partners voor de koninginnen Wilhelmina en Juliana speelde Ebenbürtigkeit nog een grote rol. Als telg uit de regerende familie van Lippe was Bernhard uiteraard ebenbürtig. De Duitse diplomaat Claus von Amsberg behoorde tot de lage adel en was dus niet ebenbürtig. Omdat aan Ebenbürtigkeit in de loop der jaren minder waarde werd gehecht, kon het huwelijk met Beatrix toch doorgang vinden.

Almanach de Gotha

De Almanach de Gotha is een almanak die voor het eerst verscheen in 1763. Het boekwerkje werd toen uitgegeven aan het hof van de hertog van Saksen-Coburg-Saalfeld, waar ook de stad Gotha toebehoorde. Tot 1942 verscheen de Almanak ieder jaar in een nieuwe bijgewerkte en geactualiseerde uitgave. Tot dat jaar verscheen de Almanak in het Frans.

De Almanak bestond uit twee delen. Als eerste een groot overzicht, die de zogenaamde “État actuel” van de Europese koningshuizen en gemediatiseerde families van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie bevatte. Ook voormalige vorstenhuizen, prinselijke families en Britse hertogelijke families kregen in een speciale afdeling van deze almanak een plaats. Hierna volgde een tweede deel, de zogenaamde “Annuaire Diplomatique”, met daarin van ieder land een lijst van ministers, andere hoogwaardigheidsbekleders, het corps diplomatique en verschillende statistische gegevens. Toen het Sowjetleger in 1945 de stad Gotha binnentrok, werden alle archieven van de Gotha vernietigd.

Het gezag van de Gotha was zo groot dat men de redactie wel als de arbiter van alle kwesties en geschillen over koninklijke namen, adel en titels zag. De almanak bevatte, adressen, functies, titels en onderscheidingen van duizenden leden van de hoge adel (bloed en zwaardadel). Deze groep mensen wordt daarom ook wel als “de Gotha” aangeduid in zinnen als: “De hele Gotha kwam bijeen op de begrafenis van prinses …”

Nadat al eerder niet-regerende prinselijke huizen in de Almanak hun plaats hadden gekregen, groeide de wens om ook andere, lagere adel zijn plekje in de Gotha te gunnen. Om aan deze wens te voldoen werden in de loop van de tijd nog vier series gestart:  

1.      Taschenbuch der gräflichen Häuser (vanaf 1825);

2.      Taschenbuch der freiherrlichen Häuser (vanaf 1848);

3.      Taschenbuch der adligen (uradeligen) Häuser (vanaf 1900);

4.      Taschenbuch der briefadeligen Häuser (vanaf 1907).

Deze series verschenen in de Duitse taal en de publicatie stopte ook in 1942. In 1952 begon C.A. Starke Verlag in Limburg (Lahn) met de serie “Genealogisches Handbuch des Adels” als naslagwerk voor de Duitse adel. Hiermee wordt de “Gotha” in moderne tijden voortgezet. Dit handboek is net als de Gotha in series verdeeld:

1. Adelige Häuser, onderscheid tussen Uradel en Briefadel;

2. Freiherrliche Häuser (Freiherr en Baron);

3. Gräfliche Häuser;

4. Fürstliche Häuser.

- regerende en in 19de en 20ste eeuw onttroonde Huizen;

- standesherrliche Häuser;

- andere niet souvereine Huizen.

Het huidige handboek probeert een volledig overzicht te maken van alle Duitse adellijke geslachten die momenteel of tot voor kort bestonden. Het handboek geeft een overzicht van alle levende en onlangs overleden leden van een adellijke familie.

Niet alle Duitse adellijke families zijn echter opgenomen in het handboek. Dit komt omdat de families die besproken worden een financiële bijdrage moeten leveren om opgenomen te worden. Het kan zijn dat de betreffende families te klein, arm of onwillig zijn om steeds opnieuw in het handboek opgenomen te willen worden.

Het lot van de Junkers

Junkers waren de landadel van Oost-Duitsland. De machtspositie en rijkdom van de Junkers steeg en daalde over de eeuwen. In de 17de en 18de eeuw (met economische crisissen en oorlogen) verloren veel Junkers hun landgoederen en zagen zich genoodzaakt te leven als huursoldaat of koopman. Door de rijkdom die zij met deze activiteiten vergaarden verkregen zij opnieuw grote macht en rijkdom.

De Junker klasse beleefde zijn hoogtepunt tijdens het keizerrijk van het Huis Hohenzollern. De Junkers controleerden het leger en de politiek en hadden een hoge sociale status en bezaten immense landgoederen, met name in Oost-Duitsland (Brandenburg, Mecklenburg, Pommeren, Oost-Pruisen, Saksen, Silezië). Hun politieke invloed was groot gedurende het Duitse keizerrijk van 1871 tot 1918 en de Weimar Republiek van 1919 tot 1933. Het werd gezegd dat Pruisen over Duitsland regeerde en de Junkers over Pruisen en dus het keizerrijk regeerden. Zij steunden de monarchie en waren veelal antiliberaal en konden beschouwd worden als conservatief. Hun politieke belangen werden in de Reichtag behartigd door de Deutsche Konservative Partei of DKP (door tegenstanders veelal spottend Junkertum of Junkerpartei genoemd). Deze politieke klasse oefende een grote macht uit over de lagere klassen en de regering. Toen kanselier von Caprivi in 1894 de bescherming tegen de import van goedkopere graan verminderde eisten de Junkers zijn ontslag, wat ingewilligd werd. In 1902 werden opnieuw toltarieven (Schutzzölle) ingevoerd om de invoer van importgoederen te blokkeren, waardoor de prijzen kunstmatig hoog gehouden werden. Friedrich Naumann, een deskundig waarnemer, betitelde de Landjunker als de ‘alten Herrenschicht’. Op een bevolking van 56 miljoen mensen bedroeg hun aantal slechts 24.000, maar de adel bezat veel macht.

De Bierkellerputsch van 1923, waarin Adolf Hitler en General Erich Ludendorff in München probeerden de macht te grijpen, werd neergeslagen door de Junker von Lossow van de plaatselijke Reichswehr en de Beierse president Gustav von Kahr. Von Kahr werd later vermoord tijdens de Reichsmordwoche van 30 juni 1934. Deze gebeurtenissen, en enkele anderen, zorgden ervoor dat Hitler een afkeer had voor Junkers in het algemeen. Echter negeerde hij de Junkers gedurende zijn heerschappij en nam hij geen actie in het nadeel of voordeel van de Junkers. Hoewel veel Junkers in het geheel niet achter de standpunten van Hitler stonden, steunden veel van hen toch zijn regime. Dit was met name omdat hun afkeer voor democratie nog altijd groter was en omdat zij hoopten dat Hitler wat van de oude glorie, die met de Weimar Republiek verloren was gegaan, kon laten terugkeren.

Toen de oorlog vorderde en de gruwlijkheden van de Nazi’s duidelijk werden, waren er diverse Junkers op invloedrijke posities die deelnamen aan kolonel Claus von Stauffenberg’s poging Hitler op 20 juli 1944 te vermoorden. Hun poging mislukte, maar de heimelijke weerstand van de Abwehr (militaire inlichtingendienst) onder admiraal Wilhelm Canaris die informatie doorspeelde aan de geallieerden, droeg uiteindelijk bij aan de geallieerde overwinning.

Tegen het eind van de oorlog waren bijna alle Junkers gevlucht van hun domeinen in het oosten. Na de oorlog werden de meeste oostelijke gebieden aan Polen gegeven. Oost-Pruisen werd verdeeld tussen Polen en de Sovjet-Unie. De hier achtergebleven Duitsers werden alsnog bijna allen gedeporteerd naar het westen.

Gedurende de Bodenreform (landhervormingen) in de Duitse Democratische Republiek werden alle privé-eigendommen groter dan honderd hectare (met andere woorden het land van de Junkers) in beslag genomen en weggegeven aan collectieve boerderijen of door de staat ingenomen. Men schat dat circa 7000 grootgrondbezitter tijdens de Bodenreform hun land kwijt raakten onder de slogan: “Junkerland in Bauernhand!”

Na de Duitse eenwording proberen veel Junkers of hun nakomelingen hun oude landgoederen terug te krijgen door rechtszaken aan te spannen tegen de (herenigde) Duitse staat wegens onrechtmatige onteigening van hun voorvaderlijke bezittingen maar tot nu toe met weinig succes. Ondertussen zijn enkele adellijke families erin geslaagd om terug te keren naar hun oude eigendom door dit terug te kopen van de staat. Na de toetreding van Polen tot de Europese Unie proberen Junkers, in het kader van vrije vestiging van EU-ingezetenen in de gehele Unie, zelfs hier voormalige landgoederen van hun familie uit Silezië, Pommeren en Oost-Pruisen terug te kopen, door min of meer verdekte tegenwerking van de Poolse autoriteiten echter met wisselend succes.